Onderzoek van Amsterdam UMC onder topsporters laat zien dat klassieke aannames over de vorm van een ‘krachtsporthart’ en een ‘duursporthart’, die ook in internationale richtlijnen zijn terug te vinden, onvoldoende betrouwbaar zijn. Arts-onderzoeker Maarten van Diepen: “De vuistregel dat krachtsport een dik hart geeft en duursport een verwijd hart, zegt te weinig over het hart van één individuele sporter. Artsen moeten voor een betrouwbaar oordeel over de gezondheid van een sporthart verder kijken dan alleen het type sport.”

Sinds 1975 wordt er binnen de sportcardiologie gesproken over het ‘krachtsporthart’ met een verdikte hartwand en het ‘duursporthart’ met verwijde hartkamers. Deze indeling staat in internationale richtlijnen en wordt wereldwijd gebruikt bij de medische beoordeling van het hart van sporters. Amsterdam UMC onderzocht met andere Nederlandse centra 775 topsporters, zowel mannen als vrouwen, uit 48 verschillende sporten. Hun hart werd op basis van MRI-scan vergeleken met dat van 249 niet-sporters.

Meeste krachtsporters hebben ‘normaal’ hart

Uit de studie blijkt nu dat het sporttype te weinig zegt over de ´hartvorm´ bij een individuele sporter. Het meest opvallend was dat bijna 75 procent van de onderzochte krachtsporters een hart had dat qua vorm en verhoudingen ‘normaal’ was, zonder duidelijke verdikking van de hartspier. Als er bij de topsporters sprake was van verdikking van de hartspier, dan waren er vaak ook grotere, verwijde hartkamers. Dit was niet typerend voor één type sport. Van Diepen: “Het onderscheid tussen een ‘verdikt’ krachtsporthart en een ‘verwijd’ duursporthart is dus veel minder duidelijk dan we lange tijd dachten.”

Type sport geen hoofdrol

Volgens sportcardioloog Harald Jorstad zijn deze uitkomsten belangrijk omdat een aantal hartziekten zich ook kunnen uiten als een verdikt hart of een verwijd hart. “Bij sporters is vaak de vraag of een afwijkende vorm van het hart door het sporten komt, of door ziekte. Dit onderzoek laat zien dat het risico’s geeft als artsen alleen het sporttype gebruiken om het sportershart te beoordelen”, aldus Jorstad. Een opvallende hartvorm kan dan ten onrechte worden gezien als ‘normaal voor deze sport’. Van Diepen: “De arts moet eerst kijken naar de hartspier, de hartkamers en de verhoudingen daartussen en dat combineren met klachten, familiegeschiedenis en trainingsgegevens. Het type sport mag niet de hoofdrol spelen.”

Meer maatwerk

Het onderzoek onderstreept dat de juiste beoordeling van het sportershart maatwerk is. Beelden van het hart van sporters moeten worden vergeleken met goede referentiewaarden. Ook gegevens als symptomen, bloeddruk en trainingsbelasting spelen een rol. Dit kan helpen om beter onderscheid te maken tussen een gezond sportershart en vroege tekenen van hartziekte. Op die manier voorkom je dat een sporter onnodige sportbeperkingen krijgt opgelegd of dat er een diagnose wordt gemist.

De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in European Journal of Preventive Cardiology.

Beeld: Shutterstock